De ongedeelde stad - fragment

Je zet een punt op een topografische kaart van de stad, of toch op de kaart van het gebied dat binnen de lijnen ligt waarvan in de legende staat dat ze de gemeentegrens van de stad aanduiden. Je zet het punt op de kruising van de lijn die de gemeentegrens in het noorden aanduidt en de meest westelijke verticale rasterlijn die op de kaart binnen de gemeentegrens ligt. De rasterlijn ligt niet binnen de gemeentegrens op dezelfde manier als een weg of een wijk of een park binnen de gemeentegrens liggen. De lijn maakt geen deel uit van de betekenis van de gemeente maar van het coördinatenstelsel van de kaart. Bij het zetten van het punt ga je uit van de tekening van de kaart, niet van de betekenis van de stad. Je kent het punt niet. Je kent de stad niet. Je ziet alleen dat er lijnen kruisen op de kaart, en je leest het woord ‘gemeentegrens’ in de legende en je ziet dat het hoort bij die omtrekkende lijn.

Vanaf het punt dat je geplaatst hebt, trek je een rechte lijn naar beneden, over de rasterlijn, tot waar deze kruist met de omtrekkende lijn die de gemeentegrens in het zuiden aanduidt. Twee centimeter naar rechts, naar het oosten op de kaart, wat overeenkomt met 500 meter in de fysieke ruimte, zet je weer een punt en trek je weer een rechte lijn, parallel aan de eerste, met weer de gemeentegrens als begin- en eindpunt. Zo ga je verder met lijnen trekken, tot je bij het meest zuidoostelijke punt komt. Je trekt de lijnen met een dun rood pennetje, zodat zij duidelijk zichtbaar zijn. Je hebt nu een topografische kaart van een gebied dat afgebakend wordt door een omtrekkende lijn en met binnen die omtrekkende lijn elke 500 meter een dunne rode rechte lijn van noord naar zuid. De lijnen hebben geen betekenis.

Er is geen snelle verbinding tussen de plaats waar je bent gaan zitten om het eerste punt op de kaart te plaatsen en het meest noordwestelijke punt van het door jou gedefinieerde gebied. Snelle verbindingen zijn er tussen het centraal station en de luchthaven, tussen het hotel en het kantorencomplex, tussen de universiteit en het centrum. Op de kaart is elk punt gelijkwaardig aan elk ander punt, maar binnen de betekenis van de stad is het meest noordwestelijke punt geen logische plek om naartoe te gaan. Je neemt een trein, een bus, je weet niet precies waar je moet uitstappen. Er is geen herkenningspunt. Je loopt een stuk, zoekt op de kaart. Je doet er lang over om bij de plek te komen. Je bent er nog nooit geweest. Het zou het meest noordwestelijke deel van de stad waarin je woont kunnen zijn, maar ook dat van een andere stad. Je neemt de plek in je op. Dan begin je te lopen naar het zuiden met de topografische kaart in de hand, de eerste rechte lijn die je daarop getrokken hebt met het rode pennetje zo nauwkeurig mogelijk volgend.

De weg gaat bijna nergens recht van noord naar zuid, dus je loopbewegingen gaan min of meer zigzag. Min of meer. Je maakt een onregelmatige zigzagbeweging terwijl je loopt. De rechte lijn, de lijn op de kaart, snijdt door huizen en kantoren, spoorlijnen, water, afgezette industriegebieden, wegen in aanleg, stukjes bos zonder paden, de autobaan. Om zo dicht mogelijk op de rechte lijn te blijven, moet je steeds omlopen, soms nauwelijks, een hoekje om, soms lang, wel een kilometer. Nadat je hebt vastgesteld dat de rode rechte lijnen die je getrokken hebt op de kaart betekenisloos zijn, en dat het beginpunt binnen het stedelijk gebied geen logisch punt is om naartoe te reizen, is nu de vraag die je bezighoudt terwijl je loopt: wat is zo dicht mogelijk? En bijgevolg: wat is mogelijk?

Je loopt overal waar je kunt, behalve op plekken waar toegangstijden en/of entreeprijzen gelden, of waar je je aanwezigheid kenbaar moet maken, waar je je moet identificeren. Je loopt overal waar je altijd, anoniem en kosteloos kunt gaan. Of de weg bedoeld is om op te lopen, maakt niet uit. Je gaat over bruggen en sommige parkeerplaatsen; door gaten in hekken en heggen; door die stations, parken en sportvelden die niet afgesloten worden gedurende een gedeelte van de dag of nacht; in de berm langs de doorgaande weg waar geen stoep is; door bosjes zonder paden als ze niet te dicht begroeid zijn om er te lopen. Je gaat niet door het recreatiegebied, het park, de begraafplaats waar openingstijden bij staan; niet over parkeerplaatsen en andere plekken waar een portier of bewaker vraagt wie je bent en wat je komt doen of waar je alleen met een pasje toegang hebt. Om deze plekken loop je heen, en je gebruikt de eerste mogelijkheid die je tegenkomt om je weer in de richting van de lijn te begeven die je moet volgen. Wat mogelijk is, wordt dus bepaald door noodzaak. Door de afbakening, de beperking van de rechte lijnen.

Je kiest niet waar je loopt. Je kunt niet afgaan op je verwachtingen, op wat je interessant lijkt, of makkelijk, of avontuurlijk, of mooi, of juist lelijk. Je begint bijvoorbeeld ’s ochtends in het noorden bij de ring. Dan volgt een woonwijk, dan een industriegebied. Als je bij het water komt, kun je niet rechtdoor maar moet je omlopen tot aan de brug. Je gaat de brug over. Aan de andere kant van het water loop je terug tot aan de hoogte van de lijn die je volgt, dan ga je verder naar het zuiden. Een wijk met kantoorpanden, een sloot, een woonwijk, een spoorlijn, een parkje, een woonwijk, een winkelcentrum, een woonwijk, een nieuw te bouwen woonwijk, een spoorlijn, een recreatiegebied aan de zuidgrens van de stad. Je loopt langs de zuidgrens 500 meter naar het oosten, en gaat langs de volgende rechte lijn weer naar het noorden. Je komt weer door het recreatiegebied, ditmaal langs de rand. Dan weer de spoorlijn, maar hier kun je er niet onderdoor of overheen, zodat je terug moet lopen naar de plek waar je er eerder die dag wel onderdoor kon. Aan de andere kant van de spoorlijn ga je weer naar het oosten, terug naar het punt op de lijn die je nu volgt. Een woonwijk, een doorgaande weg, een woonwijk, een sloot, een woonwijk, een sloot, het gebied met de kantoorpanden, het water, de brug, de rand van het industriegebied, een woonwijk, een doorgaande weg, een woonwijk, de ring, volkstuinen, een golfbaan, de grens.

Het lopen gaat traag. Van alle manieren van transport, komt lopen het dichtst bij stilstaan. Je neemt alles wat je ziet met dezelfde graad van concentratie in je op. Dat probeer je tenminste. Net zoals op de kaart elk punt gelijkwaardig is aan elk ander punt, probeer je dezelfde waarde te hechten aan elke plek. De belangrijkste vraag die je jezelf stelt is: kan ik hier door? En je neemt de consequentie van het antwoord. Als het kan, moet het. De onzekerheid over waar je uitkomt, en wanneer, aanvaard je.


2012