Episode

In de ochtend rol ik het karretje met mijn spullen achter me aan over een weg langs een kanaal. Aan weerszijden liggen velden: gele, rode en groene rechthoeken. De spoorlijn loopt perfect parallel met de weg en het kanaal, op ongeveer een kilometer ervandaan. Ik kan de elektriciteitsdraden zien in de strakblauwe lucht. In de hitte beweeg ik me voort over het smalle reepje asfalt. Op mijn reepje blijf ik zoveel mogelijk in de schaduw van de bomen die langs het water staan, in een rechte lijn en op gelijke afstand van elkaar. De weg blijft constant op het niveau van het water, de velden blijven constant op het niveau van de weg. In het kanaal vaart niets. De bomen worden weerspiegeld in het bewegingloze water, het beeld van de omgekeerde stammen is dat van een reeks evenwijdige rechten.

Ik zou het kunnen hebben over het veranderende landschap dat veroorzaakt wordt door mijn wandelbeweging, over hoe de handeling van het lopen vanzelf een ander gebied teweegbrengt, een andere visuele of tactiele fase. Maar dat doet de handeling van het lopen niet. Ik beweeg, en er verandert niets. Flatgebouwen blijven zichtbaar op dezelfde plek aan de horizon, de oranje zonneschermen aan de ramen. De reepjes water en land blijven evenwijdig aan elkaar lopen. Elke paar kilometer kruist een weg het kanaal in een hoek van 90 graden, een weg of een sloot of een ander kanaal. Maar om dat nu een veranderend landschap te noemen? Ik zou zo’n kruisende weg kunnen inslaan, het kanaal over, en in de richting van de spoorlijn lopen om er dichter bij te komen maar de wegen die het kanaal kruisen in een hoek van 90 graden, kruisen verderop ook de spoorlijn in een hoek van 90 graden en lopen er vervolgens van weg in een rechte lijn. De verandering van richting zou me dus even bij het treinspoor brengen, me eroverheen tillen, en zou me aan de andere kant van de spoorlijn op een bepaald moment weer op een kruisende weg doen uitkomen, en ik zou weer van richting veranderen in een hoek van 90 graden en weer parallel aan de spoorlijn lopen, in hetzelfde landschap maar dan gespiegeld. Ik zou aan één kant de elektriciteitsdraden van de spoorlijn zien in de lucht en aan de andere kant de flatgebouwen, met oranje zonneschermen aan de ramen.

Misschien houdt dit vlak wel ergens op. Misschien heeft het een kader, en lopen de rechte lijnen tot aan de rand. Of worden de lijnen soepel vanaf een bepaald punt, en kruisen ze ergens ver weg op rommelige, onvoorspelbare manieren. Ik probeer te denken aan de koele ondoorgrondelijke steegjes in het binnenste van oude steden, aan de diepte van het water in een ander kanaal, elders, waar aan weerszijden de krijtrotsen hoog bovenuit torenen. Maar ik kan het gevoel van diepte niet oproepen, laat staan het gevoel van onvoorspelbaarheid, op deze plek. Hier loop ik niet in een land maar over een kaart. En in een eindeloos heden speelt alles zich af op één enkel niveau. Zelfs het beetje reliëf dat veroorzaakt zou kunnen worden door wolken, ontbreekt. De lucht is slechts één van de kleurvlakken, monochroom. Zwaar, horizontaal bijna, leunt hij tegen de andere aan, de rechthoekige kleurvlakken van de velden met de rechte lijnen die er doorheen snijden. De aarde is vlak, het is een rechthoek. Als er ergens bankjes stonden, zou ik graag even gaan zitten. Maar er zijn geen bankjes. De hitte lijkt de zuurstof uit de lucht te trekken.

Ik zou het kunnen hebben over wat het betekent om terug te lopen naar de plek waar ik vandaan komt. In de schaduwruimte die over de rechte lijn van de weg valt, het enige oneffen patroon in de omgeving, zou ik het kunnen hebben over afkomst. Maar de vlakte en de rechte weg doen me slechts voortgaan, en de beweging vooruit, al zou vooruit net zo goed achteruit kunnen zijn, is het enige dat in mij aanwezig is: het lopen in dit eendimensionale heden, de gloeiende voeten in de schoenen op het asfalt, de rechterarm die het karretje trekt.

Soms raakt mijn arm vermoeid maar daar is een oplossing voor die ik kan toepassen zonder het lopen te onderbreken. Als mijn rechterarm overbelast raakt door het gewicht van het karretje of door de monotone spanning van de rollende wielen op het wegdek die hij moet opvangen zolang mijn hand het handvat vasthoudt, maak ik terwijl ik vooruit blijf bewegen in 4 passen een draai van 360 graden, waarbij ik op de tweede pas het handvat van mijn rechter- naar mijn linkerhand overhevel. Het lijkt een simpele operatie, en voor het grootste deel is het dat ook, maar de tweede pas is een verraderlijk manoeuvre. Er ontstaat namelijk enige vertraging in de rolbeweging van het karretje op het moment dat mijn linkerhand het handvat van mijn rechterhand overneemt. Soms rollen de wielen zelfs even achteruit. Ik heb het handvat dan al in mijn linkerhand, ben 180 graden gedraaid en sta met mijn gezicht in de richting van de weg gekeerd. Ik moet dus heel goed opletten en nauwlettend mijn passen blijven tellen om er zeker van te zijn dat ik weldegelijk een draai van 360 graden maak want ik zou het achteruit rollen van de wielen van het karretje makkelijk als vooruit rollen kunnen beschouwen en vanuit mijn positie op 180 graden het karretje vooruit beginnen duwen, vooruit in zijn rolrichting op dat moment, of beter, het karretje zou mijn lichaam achter zich aantrekken, en deze positiewisseling tussen mijn lichaam en het karretje zou ertoe leiden dat ik de andere richting op loop: terug naar waar ik vandaan kom. En het zou misschien een hele tijd duren voor ik doorhad dat ik links van het kanaal liep in plaats van rechts, en ik zou me afvragen of er toch een verandering in het landschap had plaatsgevonden.

Door die ene tel een aantal keer te missen, en niet te onthouden hoe vaak ik hem had gemist, zou ik voor eeuwig op deze rechthoek langs de harde waterkant op en neer blijven lopen, met de ene keer de bomen en het kanaal aan mijn linkerkant en de andere keer aan mijn rechterkant. Ik zou op den duur niet meer weten of de bomen en het kanaal nu links of rechts van me moesten zijn, en waarom ze links of rechts van me moesten zijn. Ik zou niet meer weten dat ik ergens vertrokken was, ik zou nergens aankomen. Het enige geluid zou het regelmatige geritsel van de gruisdeeltjes zijn die in de schuimbanden van het karretje blijven steken en die bij elke draai van het wiel in contact komen met het asfalt, en het geluid zou steeds één tel onderbroken worden op het moment dat ik het handvat van het karretje overhevel van mijn linker- naar mijn rechterhand of omgekeerd.